Rechtsverwerking & enquêterecht

Of rechtsverwerking ook toepassing vindt in het enquêterecht was nog niet beslist. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 11 november 2016 () deze vraag positief beantwoord. Ons hoogste rechtscollege voegde daaraan toe dat enkel tijdsverloop onvoldoende is voor toepassing van rechtsverwerking. ‘Stilzitten’ kan alleen tot rechtsverwerking leiden, als op grond van de omstandigheden van het geval redelijkerwijs een bepaald handelen van de rechthebbende had mogen worden verwacht. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, of waardoor de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt (vgl. onder meer HR 24 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2635, NJ 1998/621 en HR 18 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY0543, NJ 2013/317). Tijdsverloop kan wel als een van de relevante omstandigheden meewegen bij beoordeling van de vraag of de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid, aldus de Hoge Raad.

In het arrest van de Hoge Raad staat ook een aantal andere aspecten van het enquêterecht centraal, zoals de kapitaaleis in het kader van de enquêtebevoegdheid (art. 2:346 BW, vgl. HR 1 april 2014, , NJ 2014/296 (Slotervaartziekenhuis), de eisen die worden gesteld aan het schriftelijk uiten van bezwaren (art. 2:349 lid 1 BW), en of de vervaltermijn van een jaar voor het vernietigen van besluiten van een orgaan van de vennootschap van art. 2:15 lid 5 BW ook van toepassing is in een enquêteprocedure (antwoord: nee).

Het arrest en al deze aspecten bespreekt Rogier Wolf in mijn noot in (JIN).

Lees zijn noot

MENU